Militairen komen aan in het gevangenenkamp (foto publiek domein, ABL Forum).Terwijl onze soldaten met leeuwenmoed den vadergrond verdedigden wachtten enkelen hunner makkers in de grootste ontbering en ellende het einde van den oorlog, in Duitsche kampen af.
In Münsterlager zitten ook burgers, kunstenaars, schrijvers enz. Ook Ernest Claes wordt als soldaat in het kamp gevangen gehouden: hij schrijft later over zijn ervaringen. De Hasseltse schilder Jos Damien beschuldigt als franc-tireur wordt eveneens opgesloten in dit gevangenkamp. Hij tekent op een stukje karton het binnenzicht van een barak.
*Hier volgt een kort verhaal van Alexander Willekens.
“Op 7 Aug. 1914 ‘s morgens in Herstal gevangen genomen, werd ik met veel andere makkers in de Chartreuse te Luik opgesloten. Na twee dagen vasten, want we kregen maar een achtste van een Belgisch soldatenbroodje per dag, werden wij te voet tusschen twee rijen dronken, vijandelijke soldaten naar Duitschland gevoerd. Dit op zulke onbarmharige wijze dat menige mijner makkers in den gracht langs den steenweg, van uitputting neerzonken. God weet wat er met die arme jongens gebeurd is. Eens in Eupen aangekomen werden wij op de trein naar Sennelager en later naar Münsterlager gevoerd, Doch wat stond ons daar te wachten! Met 5000 man werden wij in tien overgroote tenten op een weinig stroo en wat heide gelogeerd. Velen onzer hadden zelfs geene dekens om zich te dekken. Alsdan ging het naar Sarrebrück aan den Wezer, een kamp van 700 krijgsgevangenen, maar een van de slechtste van gansch Duitschland. ‘s Morgens en ‘s avonds een tas eikelkoffie, thee of tapioca in water gemengd; ‘s middags eenen halven liter raapkoolsoep en eene snede (ongeveer 200 gr) zeer slecht brood. Daarbij moesten wij eenen halven dag aan den dijk van een kanaal werken of zooniet eenen halven dag in het slijk staan, grachten of beken maken. Om ons te straffen bonden zij ons aan palen, met het gezicht naar sneeuw en regen gekeerd en zelfs hebben er sommigen aan palen gehangen, zonder met hunne voeten den grond te raken; ook werden stok- en sabelslagen niet gespaard. Op 3 januari 1919 verlieten wij het vijandelijk kamp van Sarrebrück en vertrokken per trein naar Soltau; doch hoe groot was mijne verbazing. Toen ik in april 1915 Soltau verliet, waren er ongeveer een 70-tal onzer makkers op een klein kerkhofje begraven en in 1919 was het getal gestegen tot twaalfhonderd. Den 6 jan. 1919 vertrokken wij met 1450 man per trein. Na in Thionville nog 10 dagen te hebben gewacht, landden wij eindelijk in ons geliefd Belgenland aan.”
Documentatiecentrum ‘de graef’ Kuringen, Archief *Joseph Convents, archief Juliette Leenaers, archief A. Willekens, archief Adriaens, archief Bex Buntinx.